About

Zoals elk meisje-meisje droomde ik de mooiste dromen…over rode schoentjes…rode flamencoschoenen…

Droom : als je droomt dat je aan het dromen bent, is dit een verwijzing naar je emotioneel welzijn.  Je bent overmatig ongerust en angstig over een bepaalde situatie of omstandigheid waar je door gaat.

Rood : duidt op ongetemde energie, kracht, passie, agressie en moed.  De kleur rood heeft een diepe emotionele en spirituele gevoelswaarde.

Schoenen : over het algemeen symboliseren schoenen hoe je in het leven staat.  Ze suggereren dat je een solide basis hebt en met beide voeten op de grond staat.

Ooit zou ik het meisje met de rode schoentjes worden…ooit…

De rode schoentjes
Hans Christian Andersen: De rode schoentjes (Eftelingversie)
De rode schoentjesEr was eens een klein meisje, dat heel mooi en allersnoezigst was. ‘s Zomers moest ze altijd op blote voeten lopen, want ze was arm, en ‘s winters op grote klompen, zodat haar wreef helemaal rood werd. Heel akelig was dat.Midden in het boerendorp woonde de oude schoenmakers vrouw. Ze zat zo goed als ze kon van oude, rode stofrestjes een paar schoentjes te maken, heel prutserig, maar het was goed bedoeld. Die schoentjes waren voor het kleine meisje. Dat kleine meisje heette Karen. Precies op de dag dat haar moeder werd begraven, kreeg ze de rode schoentjes en had ze ze voor het eerst aan. Eigenlijk was het niet iets om te dragen als je in de rouw bent, maar ze had nu eenmaal geen andere en dus liep ze met blote benen in de rode schoentjes, achter de armzalige kist van geperst stro.Op hetzelfde moment kwam er een grote, oude koets aan en daar zat een grote, oude mevrouw in. Ze keek naar het kleine meisje en ze had medelijden met haar, en dus zei ze tegen de dominee: “Luister, geef mij dat kleine meisje, dan zal ik goed voor haar zorgen.”Karen dacht dat het allemaal door de rode schoentjes kwam, maar de oude mevrouw zei dat die vreselijk waren. Ze werden verbrand, en Karen zelf kreeg keurige kleertjes aan. Ze moest leren lezen en naaien en de mensen zeiden dat ze er snoezig uitzag, maar de spiegel zei: “Je bent meer dan snoezig. Je bent mooi!”Toen reisde de koningin op een keer door het land en ze had haar dochtertje, die een prinses was, bij zich. De mensen stroomden toe vóór het kasteel en Karen was er ook bij. Het kleine prinsesje stond in mooie, witte kleertjes voor het raam en liet zich bekijken. Ze had geen sleep en ook geen gouden kroontje, maar ze had mooie, rode, marokijnleren schoentjes aan. Dat was wel even iets anders dan de schoentjes die de schoenmakersvrouw voor Karen had gemaakt. Niets in de wereld is met die rode schoentjes te vergelijken.Karen was nu oud genoeg om aangenomen te worden. Ze kreeg nieuwe kleren en nieuwe schoenen moest ze ook hebben. De rijke schoenmaker in de stad nam de maat van haar voetje, thuis in zijn eigen kamer. Daar stonden grote glazen kasten met beeldige schoentjes en met glimmende laarzen. Het zag er prachtig uit, maar de oude mevrouw kon niet meer zo goed zien, dus veel plezier had ze er niet van. Midden tussen de andere schoenen stond ook een paar rode schoentjes, precies als die van de prinses. Mooi dat ze waren! De schoenmaker zei dan ook dat ze voor de dochter van een graaf bestemd waren, maar dat ze haar uiteindelijk niet pasten.

“Dat zijn zeker lakschoentjes,” zei de oude mevrouw. “Ze glimmen zo.” – “Ja, ze glimmen,” zei Karen. Ze pasten en ze werden gekocht, maar de oude mevrouw wist niet dat ze rood waren, want ze had het nooit goed gevonden dat Karen werd aangenomen met rode schoenen aan haar voeten, maar dat gebeurde dus wel.

Alle mensen keken naar haar voeten en toen ze over het middenpad naar het koor liep, dacht ze dat zelfs de oude schilderijtjes op de graven, die portretten van dominees en domineesvrouwen, met stijve kragen en lange, zwarte toga’s, hun ogen op haar rode schoentjes richtten. Ze dacht nergens anders aan toen de dominee zijn hand op haar hoofd legde en over het heilig doopsel sprak, over het verbond met God en dat ze nu een volwassen christen zou zijn. Het orgel speelde heel plechtig, de mooie kinderstemmetjes zongen en de oude voorzanger zong, maar Karen dacht alleen aan de rode schoentjes.

‘s Middags had de oude mevrouw intussen van alle mensen gehoord dat de schoentjes rood waren en ze zei dat dat lelijk was, dat het niet hoorde en dat Karen van nu af aan, als ze naar de kerk ging, altijd zwarte schoenen aan moest, ook al waren het oude schoenen.

De volgende zondag was het Avondmaal en Karen keek naar de rode schoentjes, ze keek naar de zwarte – en toen keek ze weer naar de rode en trok de rode aan.

De zon scheen heerlijk. Karen en de oude mevrouw liepen over het pad door het koren, waar het een beetje stoffig was.

Bij de kerkdeur stond een oude soldaat met een kruk als stok en met een wonderlijke lange baard, eerder rood dan wit, want hij was roodharig. Hij boog naar de grond en vroeg de oude mevrouw of hij haar schoenen mocht afvegen. Karen strekte haar voet ook uit. “Kijk, wat een mooie dansschoentjes!” zei de soldaat. “Blijf zitten als jullie dansen!” En hij sloeg met zijn hand op de zolen.

De oude mevrouw gaf de soldaat een stuiver en toen ging ze met Karen de kerk in.

En alle mensen in de kerk keken naar Karens rode schoentjes en alle portretten keken ernaar en toen Karen voor het altaar knielde en de gouden kelk aan haar mond zette, dacht ze alleen maar aan de rode schoentjes en het leek alsof ze in de kelk rondzwommen. Ze vergat haar psalm te zingen, ze vergat haar Onzevader te bidden.

Alle mensen gingen weer de kerk uit en de oude mevrouw stapte in haar koets. Karen tilde haar voet op om ook in te stappen. Toen zei de oude soldaat, die er vlak bij stond: “Kijk, wat een mooie dansschoentjes!” En Karen kon het niet laten, ze moest een paar danspasjes maken, en toen ze begon, gingen haar benen door met dansen. Het leek alsof de schoentjes ze betoverd hadden. Ze danste de hoek van de kerk om, ze kon het niet laten. De koetsier moest haar achterna hollen en haar beetpakken en hij tilde haar in de koets, maar haar voeten gingen door met dansen, en ze schopte die lieve, oude mevrouw heel hard. Eindelijk lukte het hun de schoentjes uit te krijgen en haar benen kwamen tot rust.

Thuis werden de schoentjes hoog in een kast gezet, maar Karen kon het niet laten om ernaar te kijken.

Toen werd de oude mevrouw ziek. Ze zeiden dat ze dood zou gaan. Ze moest verzorgd en verpleegd worden en wie kon dat beter doen dan Karen? Maar er was een groot bal in de stad. Karen was uitgenodigd. Ze keek naar de oude mevrouw, die toch doodging, ze keek naar de rode schoentjes en ze dacht dat dat toch geen zonde kon zijn; ze deed de rode schoentjes aan, dat kon ze natuurlijk best doen – maar toen ging ze naar het bal en begon ze te dansen.

Maar toen ze naar rechts wilde, dansten de schoentjes naar links, en toen ze de dansvloer op wilde, dansten de schoentjes de dansvloer af, de trap af, de straat door en de stadspoort uit. Dansen deed ze en dansen moest ze, zo het donkere bos in.

Toen glansde er iets tussen de bomen en ze dacht dat het de maan was, want het had een gezicht, maar het was de oude soldaat met de rode baard. Hij zat te knikken en zei: “Kijk, wat een mooie dansschoentjes!”

Toen werd ze verschrikkelijk bang en ze wilde de rode schoentjes weggooien, maar ze zaten vast. Ze rukte aan haar kousen, maar de schoentjes waren aan haar voeten vastgegroeid. En dansen deed ze en dansen moest ze, door velden en weilanden, in regen en zonneschijn, dag en nacht, maar ‘s nachts was het het akeligst.

Ze danste het kerkhof op, dat open was, maar de doden dansten niet, die hadden wel wat beters te doen dan dansen. Ze wilde op het graf van een arme gaan zitten, waar het bittere wormkruid groeit, maar er was geen rust voor haar. Toen ze naar de open kerkdeur danste, zag ze daar een engel in een lang, wit gewaad, met vleugels die van zijn schouders tot aan de grond reikten. Zijn gezicht was streng en ernstig en in zijn hand hield hij een zwaard, heel breed en glanzend.

“Dansen moet je,” zei hij, “dansen op je rode schoentjes tot je bleek en koud bent, tot je huid in elkaar krimpt als die van een geraamte. Dansen zul je van deur tot deur en overal waar trotse, verwaande kinderen wonen, moet je aankloppen, zodat ze je zien en je vrezen. Dansen zul je, dansen!”

“Genade,” riep Karen. Maar ze hoorde niet wat de engel antwoordde, want de schoenen droegen haar het hek door, het veld op, wegen en paden over, en altijd moest ze dansen.

Op een ochtend danste ze voorbij een deur die ze goed kende; binnen klonk psalmgezang. Ze droegen een kist, die met bloemen versierd was, naar buiten. Toen wist ze dat de oude mevrouw dood was en ze bedacht dat ze nu door iedereen was verlaten, en door Gods engel vervloekt.

Dansen deed ze en dansen moest ze, dansen in de donkere nacht. De schoenen droegen haar over doorns en stoppels en ze ging ervan bloeden. Ze danste over de hei, naar een klein, afgelegen huisje. Ze wist dat de beul daar woonde en ze tikte met een vinger op de ruit en zei: “Kom naar buiten, kom naar buiten! Ik kan niet binnenkomen, want ik dans.” De beul zei: “Je weet zeker niet wie ik ben? Ik hak slechte mensen het hoofd af en ik kan merken dat mijn bijl al trilt!”

“Hak mijn hoofd er niet af,” zei Karen, “want dan kan ik geen berouw hebben van mijn zonde, maar hak mijn voeten met de rode schoentjes maar af.”

En toen biechtte ze haar zonde op en de beul hakte haar voeten met de rode schoentjes af, maar de schoentjes dansten met de voetjes over het veld, het diepe bos in.

Hij maakte houten voeten voor haar en krukken, leerde haar een psalm, de psalm die zondaars altijd zingen, en zij kuste de hand die de bijl had vastgehouden en liep weg over de hei.

“Nu ben ik genoeg gestraft voor die rode schoentjes,” zei ze. “Nu ga ik naar de kerk, zodat iedereen me kan zien.” En ze liep stevig door tot aan de deur van de kerk, maar toen ze daar was, dansten de rode schoentjes voor haar uit en ze werd heel bang en keerde om.

De hele week was ze bedroefd en ze huilde vele bittere tranen, maar toen het zondag werd, zei ze: “Zo, nu heb ik genoeg geleden en gestreden. Ik vind eigenlijk dat ik net zo goed ben als veel van de mensen die met opgeheven hoofd in de kerk zitten!” Dus ging ze vol goede moed op weg, maar ze kwam niet verder dan het hek. Daar zag ze de rode schoentjes voor zich uit dansen en ze werd heel bang en keerde om, en ze had berouw in haar hart om haar zonde.

Ze ging naar de pastorie en vroeg of ze daar niet in dienst mocht komen. Ze zou vlijtig zijn en ze zou alles doen wat ze kon, het loon kon haar niet schelen, als ze maar een dak boven haar hoofd had bij vriendelijke mensen. De domineesvrouw had met haar te doen en nam haar in dienst. Ze was vlijtig en bedachtzaam. ‘s Avonds zat ze stil te luisteren als de dominee uit de bijbel voorlas. De kleintjes hielden veel van haar, maar als ze het over opsmuk en mooie kleren hadden of er net zo wilden uitzien als een koningin, schudde ze haar hoofd.

De volgende zondag gingen ze allemaal naar de kerk en ze vroegen haar of ze mee wilde, maar ze keek bedroefd, met tranen in haar ogen, naar haar krukken. De anderen gingen toen naar Gods woord luisteren, maar zij ging in haar eentje naar haar kamertje; daar konden alleen een bed en een stoel in, en daar ging ze zitten met haar psalmboek. En terwijl ze met een vroom hart daarin zat te lezen, droeg de wind de orgelklanken uit de kerk naar haar toe en ze hief haar betraande gezicht op en zei: “God, help me toch!”

Toen begon de zon heel helder te schijnen en vóór haar stond de engel van God in het witte gewaad, dezelfde die ze die nacht in de kerkdeur had gezien. Hij had geen scherp zwaard meer in zijn hand, maar een mooie, groene tak vol rozen. Daarmee raakte hij het plafond aan en dat werd heel hoog. Waar hij het had aangeraakt, straalde een gouden ster. Hij raakte ook de muren aan en ze gingen wijd uiteen, en ze zag het orgel dat speelde, ze zag de oude portretten van de dominees en de domineesvrouwen. De gemeente zat in de versierde banken psalmen te zingen. Want de kerk was zelf naar dat arme meisje in dat nauwe kamertje toe gekomen. Of zij was in de kerk terechtgekomen. Ze zat bij de anderen van de pastorie in de bank en toen ze klaar waren met hun gezang en opkeken, knikten ze en zeiden: “Goed dat je gekomen bent, Karen.”

“Ik heb vergiffenis gekregen!” zei zij.

Het orgel speelde en de kinderstemmetjes in het koor klonken heel mooi en zacht. Warme zonnestralen stroomden door het raam tot in de bank waar Karen zat. Haar hart werd zo vervuld van zonneschijn, vrede en vreugde, dat het brak. Haar ziel vloog op de zonnestralen naar God, en daar was niemand die naar de rode schoentjes vroeg.

* * * EINDE * * *
Bron: “Hans Christian Andersen. Sprookjes en verhalen” opnieuw uit het Deens vertaald door dr. Annelies van Hees. Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1997. ISBN: 90-6069-840-1
Oorspronkelijke titel: De røde Skoe
Engelse tekst: The red shoes

2 Reacties to “About”

  1. tomvanryckeghem februari 6, 2013 bij 7:15 pm #

    Karen,
    Merci! Merci voor het prachtige cadeautje dat je ons gaf. ‘t is werkelijk erg mooi. Super dat je het uiltje opmerkte dat hij sinds z’n geboorte naast hem heeft,
    Bedankt Karen!
    Tom

  2. Shari december 5, 2014 bij 7:39 pm #

    Beste,

    Ik kreeg vandaag een heeeeeel leuk cadeautje van een klant in het kapsalon(Kathleen) . Blijkbaar heb jij dat gemaakt! Ik vind het een super leuk pakje! Heel mooi!
    Bedankt voor het origineel cadeautje

    Groetjes Shari x

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.